Somalia, islam, islamic, war, Somaliland, clan, warlord, krijgsheer, Somalië

Traditional leaders and institutions in the building of the Muslim republic of Somaliland

Marleen Renders, Universiteit Gent

English version

Naderlandse samenvatting:
Traditionele leiders en instellingen, en de bouw van de Moslim Republiek Somaliland
Doctoraat verdedigd in mei 2006 aan de Universiteit Gent

Meer over Marleen Renders


Sinds 1991 wordt Somalië beschouwd als het typevoorbeeld van een 'ineengestorte staat'. De naam van de hoofdstad Mogadishu roept beelden op van geweld en wetteloosheid. Een steeds groeiend aantal milities en krijgsheren betwisten elkaar de controle over wegen, havens, luchthavens en andere strategische punten, persen de lokale bevolking af en breiden hun criminele activiteiten verder uit. De Somali's zuchten onder de oorlog die nu al vijftien jaar aansleept. De talloze vredesconferenties (ondertussen 14 in het totaal) die werden georganiseerd door verschillende regionale en internationale organisaties leverden niets op. Het laatste vredesakkoord, gesloten in Nairobi na een periode van meer dan twee jaar onderhandelen, mondde in 2004 uit in de zoveelste 'overgangsregering'. Al snel na het akkoord echter ontstond het volgende conflict binnen de nieuwe administratie. De nieuwe president, Abdillahi Yusuf, heeft tot op vandaag nog geen voet in de hoofdstad gezet uit vrees het niet lang te zullen overleven. Terwijl in 1993 de door de Verenigde Staten geleide operatie 'Restore Hope' nog live op de televisie te volgen was, is Somalië nu helemaal uit het nieuws verdwenen. Niemand die het nog volgt, niemand die er nog wat van begrijpt. Somalië lijkt een hopeloze zaak.

Heel Somalië? Nee. In het noordwesten van de voormalige Democratische Republiek, ver van Mogadishu, Kismayo of Jowhar, waar de 'warlords' het voor het zeggen hebben ligt een gebied waar orde en rust heerst, waar politieke stabiliteit is en waar een echte heropbouw heeft plaatsgevonden: Somaliland. In de hoofdstad van Somaliland, dat zich in 1991 afscheidde van Mogadishu, zijn tanks, technicals en gewapende militie uit het straatbeeld verdwenen. Er is geen sprake meer van veralgemeend geweld, de checkpoints zijn verdwenen en de huizen zijn weer opgebouwd. Meer nog: er worden belastingen geheven, het verkeer wordt geregeld door geüniformeerde politie, alle auto's hebben een nummerplaat en de gemeente haalt het vuilnis op. Somaliland heeft een regering en (zij het zwaar ondergefinancierde) ministeries, staatsscholen en ziekenhuizen. Het land wordt bestuurd door een president en een bicameraal parlement. Hoe is het zover kunnen komen? Wat is het verschil tussen Hargeysa en Mogadishu?

Wanneer journalisten, reizigers of onderzoekers deze vraag stellen in Hargeysa komt het antwoord vaak hierop neer: in het noordwesten was de betrokkenheid van traditionele Somalische clan leiders cruciaal bij het sluiten van de vrede. Hun betrokkenheid heeft het mogelijk gemaakt een nieuwe staat op te bouwen en ook te behouden. Het is veiliger op straat in Hargeysa dan in Nairobi - dankzij de clanoudsten. Zou dit scenario - een grotere betrokkenheid van 'traditionele leiders' - het magisch recept kunnen zijn? Zou het met de hulp van dit recept mogelijk zijn de aanslepende oorlog in Zuid Somalië te beëindigen en de staat weer op te bouwen? Misschien zou het zelfs een oplossing kunnen bieden voor andere staten in heropbouw na een gewapend conflict. Of misschien kan het zelfs soelaas brengen voor staten waar het nog niet zover is gekomen, staten die nog niet 'ineengestort' zijn, maar die toch niet goed functioneren.

Theoretici en beleidsmakers zijn al lang op zoek naar elementen die aan de basis liggen van het slecht functioneren van staten. Sind het onderuit halen van de Washington Consensus in het midden van de jaren '80 heerst onder beleidsmakers de overtuiging dat slecht functionerende staten nefast zijn voor de economische ontwikkeling van een land. In het ergste geval kan een slecht functionerende staat ineenstorten en eindigt het land in totale chaos. De opbouw moet dan weer van voor af aan. Als dat gebeurt - of beter nog, om te voorkomen dat dit gebeurt, moet worden gezorgd dat staten beter functioneren, met andere woorden, dat ze 'goed bestuurd' worden. 'Goed bestuur' hangt in belangrijke mate af van de instellingen van een staat. De richtlijnen die de Wereldbank en andere grote donoren zoals de OESO-landen meegeven aan de landen die ontwikkelingshulp ontvangen zijn erop gericht om de kwaliteit van de instellingen en daarmee het 'goed bestuur' van die landen te bevorderen. Als de instellingen corrupt, inefficiënt of niet bekwaam zijn, dan loopt het mis. Er is ook al gesuggereerd dat het wel eens mis kan lopen als instellingen onaangepast zijn aan de maatschappij waarin ze moeten functioneren. In dat geval werken instellingen niet omdat ze niet legitiem zijn: ze zijn vreemd en van buitenaf opgelegd. Ze botsen met de instellingen, waarden en overtuigingen van de maatschappij in kwestie. Om hieraan tegemoet te komen en het probleem op te lossen, moeten beiden met elkaar worden verzoend. 'Traditionele' en 'moderne' instellingen moeten op elkaar worden afgestemd: de moderne instellingen moeten een basis krijgen in de maatschappij zodat ze legitiem en functioneel worden. Je moet de traditionele instellingen gebruiken om de moderne erop te enten.

In de logica van de beleidsmakers die zich bezig houden met ontwikkelingssamenwerking en staatsopbouw, wordt het opzetten en doen functioneren van instellingen vaak beschouwd als een technisch probleem. Voor zo'n technisch probleem wordt gezocht naar een technische oplossing. In de richtlijnen van de donoren vindt dit zijn weerslag in het aanbieden van zogenaamde 'best practices' die een bepaald type oplossing voor een bepaald type probleem voorstellen. Er wordt gezocht naar 'modellen'. Een voorbeeld van zo'n model zou kunnen zijn dat je in het geval van een geïmplodeerde staat zoals Somalië gaat werken met inheemse 'traditionele' instellingen om weer een vorm van bestuur op poten te krijgen en aan de nefaste invloed van krijgsheren en politici te ontsnappen. Somaliland als 'model', als 'best practice' dus. Kan Somaliland een model zijn? Uit wat volgt zal blijken dat de kwestie niet technisch is maar politiek. Het probleem is politiek en de oplossing is dat ook. Je kan de politieke kwesties die zich voordoen bij het opbouwen en in stand houden van een politieke eenheid zoals een staat niet ontwijken door de 'politieke' actoren (zoals krijgsheren en politici) te ontwijken. Schijnbaar 'niet-politieke' actoren zoals de in dat opzicht alom verheerlijkte 'civiele maatschappij' of inderdaad, 'traditionele' leiders zijn steevast nauw verbonden (zowel persoonlijk als institutioneel) met de 'politieke' categorie. Ook kan je de omstandigheden waarin die relaties zijn gegroeid en waarin ze evolueren niet zomaar controleren. Dit zal worden aangetoond aan de hand van het voorbeeld van Somaliland.

Een eerste vraag die moet worden beantwoord is: wat maakte de betrokkenheid van de 'traditionele' clan leiders bij de opbouw van een staat in noordwest Somalië mogelijk en wat hield ze in? Vanaf de vroege jaren '80 was noordwesten het strijdtoneel in het gevecht tussen de militaire dictator van Somalië, Siyyad Barre, en de guerrilla-beweging van de Isaaq-clan, de 'Somali National Movement' (SNM). De guerrillabeweging groeide uit verschillende verzetshaarden tegen de militaire dictatuur: Isaaq intellectuelen die hun politieke vrijheden beperkt zagen, Isaaq militairen die hun promotiekansen kwijt waren, Isaaq handelaren die hun mogelijkheden beknot zagen en Isaaq burgers (landbouwers, herders, stedelingen) die het slachtoffer werden van diskriminerende maatregelen tegen een bepaalde bevolkingsgroep. Het was evenwel niet zo dat er sprake was van een automatische 'Isaaq-solidariteit' tussen deze groepen. Het initiatief voor de guerrillabeweging was uitgegaan van de intellectuelen in de diaspora. SNM werd gesteund door Ethiopië, dat in de SNM een kans zag om haar aartsvijand Somalië te belagen. Toen Ethiopië in 1988 vrede sloot met Somalië, verloor SNM haar basis in Ethiopië en de (beperkte) Ethiopische financiële steun die daarmee samenging. SNM koos voor de vlucht vooruit.

De politieke leiders van de beweging waren al lang aan het proberen om steun te vinden voor hun zaak bij de bevolking van het Noordwesten. De enige manier om de rurale bevolking te bereiken was via de 'traditionele' clan leiders van de Isaaq. Hen werd om steun gevraagd voor het politieke en militaire project van SNM. Die steun werd uiteindelijk ook gegeven, in ruil voor een politieke rol voor de traditionele leiders in de beweging. Een vergadering van clanoudsten, de guurti, zou als adviesorgaan aan SNM gaan functioneren. Niet alle clanoudsten van de Isaaq hadden zitting in de guurti - de vergadering was nogal ad-hoc samengesteld en werd gedomineerd door 'politiek-actieve' clanoudsten. Het authentieke karakter van deze 'traditionele' leiders werd meteen in twijfel getrokken door het politieke kader van SNM, maar men had weinig keuze. Deze mannen hadden de contacten op het terrein en ze waren dus onmisbaar.

De rol van de clanoudsten werd nog belangrijker toen in 1988 de Ethiopische steun werd opgezegd. Nu de SNM militie gedwongen was vanuit Somalië zelf te opereren was ze helemaal aangewezen op de lokale clanoudsten van de Isaaq. Zonder de clanoudsten kon er geen sprake zijn van de aanvoer van voorraden of het recruteren van nieuwe strijders. De clanoudsten van de Isaaq waren cruciaal geworden voor het welslagen van de onderneming en het overleven van de strijders. Dit vond haar weerslag in het politieke gewicht van deze groep. In 1991 werd het sterk verzwakte regime van Siyyad Barre in Mogadishu onder de voet gelopen door de milities van een andere clan, de Hawiye. Ondanks de afspraken die vooraf waren gemaakt tussen politici van de Hawiye en politici van de Isaaq over het verdelen van de macht na Barre, hielden de Hawiye er zich niet aan en eisten ze de belangrijkste posten in de regering voor zich op. In het Noordwesten beraadde de SNM zich over de toekomst. Toen op de bijeenkomst in de stad Bur'o bekend werd dat SNM toenadering had gezocht tot de nieuwe 'regering' in Mogadishu leidde dit tot hevig volksprotest. Onder druk van de gewone Isaaq en hun clanoudsten werd besloten de onafhankelijkheid van Somaliland uit te roepen.

Het feit dat de clanoudsten zo'n belangrijke rol waren gaan spelen in de SNM maakte het mogelijk om behalve de Isaaq, ook de andere clans van het noordwesten bij Somaliland te betrekken. Door elkaar te benaderen als clans eerder dan als leden van politiek vijandig tegenover elkaar staande strekkingen werd het mogelijk om vrede te sluiten via 'traditionele' instellingen, van clan tot clan, zonder gezichtsverlies voor de partijen die de oorlog eigenlijk hadden verloren. De Gadabuursi, de Ise, de Warsangeli en de Dulbahante, voorheen allen bondgenoten van het regime van Siyyad Barre, sloten zich aan bij de algemene vrede in het Noordwesten en hun vertegenwoordigers werden opgenomen in de SNM-regering die Somaliland zou gaan besturen. De voorzitter van de SNM, Abdirahman "Tuur" ("de bultenaar"), werd president van de nieuwe staat die het, in ieder geval voorlopig, wel zou moeten stellen zonder internationale erkenning.

De nieuwe president stond voor een moeilijke opdracht. Somaliland's infrastructuur was verwoest, de milities moesten worden gedemobiliseerd en de nieuwe staat had geen inkomsten. Pogingen om strategische punten zoals de haven van Berbera onder controle te brengen van de regering om zo belastingen te kunnen heffen op import en export liepen op niets uit. Ze botsten op het verzet van SNM facties die de controle over de winstgevende haven niet wilden overdragen aan de factie van de president. Het conflict nam snel uitbreiding en escaleerde tot een oorlog tussen verschillende SNM-facties die elkaar politieke en economische macht betwistten. De facties waren, zoals de SNM brigades tijdens de oorlog met Barre, gebaseerd op clan. De verschillende facties vertegenwoordigden verschillende subclans van de Isaaq - de niet-Isaaq waren niet bij de het conflict betrokken. De Isaaq guurti slaagde er niet in om het conflict te stoppen. Pas door bemiddeling van de clanoudsten van de Gadabuursi werd een doorbraak bereikt. Andermaal zorgde een serie van verzoeningsconferenties geschoeid op 'traditionele' leest ervoor dat een akkoord werd bereikt tussen de vechtende clans. Andermaal benaderden de facties elkaar in eerste instantie niet als politieke concurrenten, maar als clans. Pas nadat 'traditionele' mechanismen de noodzakelijke basis voor onderling vertrouwen hadden gelegd werd het conflict ook op 'politiek' niveau opgelost. De oorlog had het einde van de SNM betekend: het initiatief lag nu helemaal in de handen van de clanoudsten.

De guurti van de Isaaq en de clanoudsten van de andere clans in het noordwesten belegden aan het begin van 1993 een grote clanconferentie in Borama om uit te maken hoe het verder moest. De vertegenwoordigers van de clans van Somaliland keurden een overgangs-charter goed. Het charter stelde een nieuwe staatvorm in. Voortaan zou Somaliland worden geregeerd door een president en een parlement met twee kamers: een 'kamer van afgevaardigden' en een 'kamer van clanoudsten' (of "guurti"). Beide kamers zouden proportioneel worden samengesteld uit vertegenwoordigers van de clans, rekening houdend met hun aandeel in de bevolking. De Boorama Conferentie institutionaliseerde het systeem van de clan-vertegenwoordiging en de rol van de clanoudsten in de nieuwe staat. De implosie van het militaire regime en de Somalische staat had in het noordwesten niet zozeer gezorgd voor een spontane overname van het bestuur door 'traditionele' leiders of clanoudsten als wel voor een soort instrumentalisering van 'traditionele' instellingen aangepast aan de politieke noden van het moment. Die aangepaste, getransponeerde instellingen zouden worden bespeeld door verschillende elkaar beconcurrerende politieke actoren in hun verschillende hoedanigheden. Op het niveau van de geïnstitutionaliseerde nationale clan-vergaderingen waren de clanoudsten 'politici'. Waar het ging over onderhandelingen tussen clans, waren politici 'oudsten' van hun clans.

De ambiguïteit en de conceptuele 'verwarring' tussen beiden waren functioneel voor de actoren in het politieke bedrijf. Als nieuwe president van Somaliland had de Boorama Conferentie gekozen voor Mohamed Ibrahim Egal, een man met een lange staat van dienst in de Somalische politiek en een reputatie als repectabel staatsman in het buitenland. Egal slaagde waar "Tuur" had gefaald: via zijn clan-banden met rijke handelaars slaagde hij erin om genoeg financiële middelen te verzamelen om een begin te maken met de demobilisatie van de nog steeds aanwezige clan milities. Bovendien zorgde de clan-connectie ervoor dat zijn controle over de haven van Berbera bijna vanzelfsprekend was. De financiële middelen verworven via zijn clan-connectie gaven Egal de mogelijkheid anderen aan zich te binden en een zekere controle over het grondgebied te gaan uitbouwen. De regering onder Egal vertegenwoordigde een veel stevigere coalitie dan die onder "Tuur". Het parlement, waarvan de leden nu werden betaald met geld van de staat, werd de facto gecontroleerd door de president, wat er meteen toe leidde dat critici het statuut van die laatsten in vraag gingen stellen: waren het nu clanoudsten of waren het politici?

De oppositie - in casu de aanhangers van de vorige president "Tuur" die het in Boorama had moeten afleggen tegen Egal - hekelde het uit evenwicht brengen van de clan-weegschaal. De clan van de president had veel te veel macht. Een deel van de oppositie pleitte voor een heraansluiting bij Mogadishu. Het gewapende conflict dat erop volgde werd door de regering beschouwd als een conflict tussen regering en oppositie. De oppositie stelde het conflict voor als een strijd tussen twee clans, iets wat Egal uit alle macht bestreed. Het conflict ging niet tussen de clan van de huidige president en de clan van de vorige president. De regering bestond immers uit een coalitie van clans en niet alle subclans van "Tuur's" clan deden mee met de oppositie. Het feit dat de "regering" inderdaad bestond meer dan de clan van de president kwam de geloofwaardigheid van de regering en van Somaliland als 'staat' ten goede. De oorlog versterkte Egal's positie. De onderhandelingen die uiteindelijk leidden tot een akkoord tussen de strijdende partijen zouden hetzelfde effect hebben.

In tegenstelling tot de vorige episode was de guurti dit maal machteloos. Ze werd gezien als deel van het regeringsestablishment en was dus niet neutraal genoeg om een centrale rol te spelen in de onderhandelingen. Het waren de lokale clanoudsten van de clans ter zijde van de oppositie enerzijds en de clanoudsten van de clans ter zijde van de regering anderzijds die -zonder betrokkenheid van de regering zelf - het initiatief namen. Andermaal werden de onderhandelingen gevoerd van clan tot clan in plaats van tussen politiek concurrerende facties. Hoewel de regering van Egal eerst liet betijen, was ze op haar hoede. Zodra Egal de kans zag het vredesproces te kapen en naar zijn hand te zetten deed hij dat ook. De uiteindelijke vrede en het politieke akkoord kwamen er op de voorwaarden van de president, niet op die van de clanoudsten die het vredesproces hadden geïnitieerd. Meer nog, de clanoudsten werden buiten spel gezet ten voordele van de groep die Egal en de regering het hevigst hadden bestreden. Het institutioneel en politiek buiten spel zetten van de clanoudsten vond zijn weerslag in de uitkomst van de Hargeysa Conferentie in 1997.

Terwijl de Hargeysa Conferentie werd voorgesteld als een conferentie van clanoudsten, een opvolger van de Boorama clan conferentie gehouden in 1993, was dit slechts tot op zekere hoogte het geval. Terwijl de Boorama conferentie was georganiseerd door de clanoudsten zelf, op hun voorwaarden en op hun initiatief, was de Hargeysa Conferentie georganiseerd door de regering. Het was de regering die uiteindelijk bepaalde wie als clanvertegenwoordiger zitting zou hebben in de clan conferentie en welke clanvertegenwoordigers zouden zetelen in het parlement dat eruit voortkwam. Vanaf de Hargeysa Conferentie bevinden de 'traditionele' leiders en instellingen zich de facto in een institutioneel en politiek ondergeschikte positie. Het bereik van de regeringsmacht breidde uit, zowel inhoudelijk als territoriaal.

De regering genereerde meer inkomen en begon beleid te formuleren, bijvoorbeeld met betrekking tot infrastructuur en sociale voorzieningen. De relatie met internationale donoren die ontwikkelingsprojecten uitvoerden in Somaliland verstrakte; ze werden aangemaand hun prioriteiten aan te passen aan de prioriteiten van de regering. Regionale hoofdsteden zoals Borama en Burco die voorheen werden bestuurd door clanoudsten of geen bestuur hadden, werden onder het gezag van de centrale regering in Hargeysa gesteld. De rol van de clanoudsten kromp dus ook op het lokale vlak. Eén aspect van de activiteiten van de clanoudsten werd evenwel ongemoeid gelaten. Veiligheid en vrede bleven het terrein van de clanoudsten. De regering was noch politiek, nog institutioneel, noch financieel in de mogelijkheid om de openbare orde te verzekeren. In geval van een betwisting over landeigendom, moord of clanconflict bleven de clanoudsten onvervangbare bemiddelaars en probleemoplossers. Zij handelden naar eigen goeddunken en inzicht, vrij van dwang van de lokale of nationale autoriteiten, maar werkten er wel mee samen. De openbare orde werd dus gehandhaafd via een omleiding van 'traditionele' leiders en instellingen. Deze regeling werkte goed en was tot ieders tevredenheid.

Dat deze situatie niet het product is van een vanzelfsprekende evolutie wordt duidelijk wanneer we kijken naar de situatie in de oostelijke regio's van Somaliland, Sool en Sanaag. Daar is aan een aantal voorwaarden die in het westen van het land hebben geleid tot een functionele integratie van 'traditionele' en 'moderne' instellingen en 'traditioneel' en 'modern leiderschap' niet voldaan. Terwijl de rol van traditionele leiders in de politieke ontwikkeling van het westen van het land doorgaans als positief wordt beschouwd, is dit helemaal niet het geval in het oosten. De clanoudsten van de clans in het oosten hebben veel minder aansluiting gevonden bij het idee van een onafhankelijk Somaliland en de aanspraken op de regio van een regering in Hargeysa. Hoewel vertegenwoordigers van oosterse niet-Isaaq clans (de Dulbahante en de Warsangeli) zitting hadden in het parlement en de regering van Somaliland sinds de oprichting ervan, heeft dit niet geleid tot eenzelfde graad van betrokkenheid als bij de westerse niet-Isaaq clan, de Gadabuursi.

De oorzaak hiervan moet ongetwijfeld worden gezocht bij de historische antecedenten van de regio. Veel Dulbahante politici en militairen waren tot op het einde toe zeer nauw betrokken bij de militaire dictatuur van Siyyad Barre. De val van de Somalische dictator heeft de regio politiek verscheurd. Terwijl sommige politici en 'traditionele' leiders te vinden waren voor een aansluiting bij Somaliland, was dat voor anderen helemaal niet het geval. Die verscheurdheid bestaat tot op vandaag en heeft een zeer zware politieke weerslag op de regio, vooral sinds de oprichting in 1998 van 'Puntland', een concurrerende politieke eenheid ten oosten van Somaliland. De oostelijke regio's van Somaliland werden opgeëist als deel van Puntland. Zowel de regering van Somaliland als die van Puntland proberen via omkoping en het toekennen van politieke voordelen de 'traditionele' leiders van de regio's aan hun kant te krijgen. Eén van de gevolgen hiervan is dat steeds meer 'traditionele' leiders de kop opsteken: ex-politici, ex-militairen of ex-ambtenaren die zich veroordeeld zagen tot een uitzichtloos bestaan zonder vooruitzicht op politieke macht of materiële welvaart maakten plots aanspraak op de status van 'traditioneel' leider. De politieke verscheurdheid en de toenemende ongeloofwaardigheid van de 'traditionele' leiders in de oostelijke regio's heeft ertoe geleid dat deze clanoudsten hun oorspronkelijke taken in de gemeenschap - met name het bewaren van de vrede en de veiligheid - niet meer kunnen vervullen. Waar de clanoudsten in het westen aan de basis lagen van de vrede en de politieke stabiliteit, was dat in het oosten net níet het geval.

De politieke situatie ondermijnde Somaliland's aanspraak op de internationale erkenning van haar zelfverklaarde onafhankelijkheid die gedragen werd door de grote meerderheid van de bevolking in het westen van het land. De regering van Egal richtte zich evenwel niet op het oosten van het land, maar op een andere factor waarvan werd gedacht dat ze internationale erkenning in de weg stond: de 'hybride' staatsvorm van het land. President Egal en de meerderheid van de intellectuelen, politici en stedelijke professionelen waren ervan overtuigd dat internationale erkenning uit zou blijven zolang het vertegenwoordigingssysteem op basis van clan niet werd vervangen door een meerpartijendemocratie. President Egal nam deze bezorgdheid ter harte en boog ze om in zijn eigen voordeel. De invoering van het meerpartijensysteem dat al vooropgesteld was tijdens de Hargeysa Conferentie van 1997, gebeurde uiteindelijk heel abrupt en zonder veel voorbereidingstijd. Het gevolg was dat alleen de partij van de regering de "Verenigde Democratische Volkspartij" of "UDUB" beslagen op het ijs kwam voor de komende verkiezingsstrijd. Andere partijen waren net gevormd en hadden zich nog niet goed kunnen voorbereiden. Bovendien werd UDUB ervan beschuldigd de staatsbegroting te plunderen om de partijkas te spekken. De oppositie en een groep 'traditionele' leiders verzetten zich daarop tegen de stichting van UDUB en het houden van verkiezingen volgens het meerpartijensysteem. Zij eisten dat in de plaats van verkiezingen een clanconferentie zou beslissen over de opvolging van President Egal. De 'traditionele' leiders aan de kant van de regering schaarden zich achter het idee van verkiezingen. Het hoog oplopende politieke conflict dat uit deze kwestie voortsproot zakte even snel in als het was gerezen toen president Egal in mei 2000 in een Zuid-Afrikaans militair hospitaal overleed.

De dood van Egal deed het politieke leven in Somaliland even stilvallen. Het verzet tegen de oprichting van UDUB en het houden van verkiezingen volgens het meerpartijensysteem viel weg nu de machtsfactor waar het eigenlijk om draaide van het politieke toneel verdwenen was. In weerwil van de doemscenario's die in binnen- en buitenland de ronde hadden gedaan verzonk Somaliland niet in chaos. President Egal werd opgevolgd door zijn vice-president Dahir Rayaale Kaahin. Toen de nieuwe president zich aan het hoofd stelde van regeringspartij UDUB laaide de oppositie weer op, maar er was niemand meer die het meerpartijensysteem of het houden van verkiezingen in vraag stelde. Somaliland hield lokale verkiezingen in 2002, presidentsverkiezingen in 2003 en parlementsverkiezingen in 2005. De verkiezingen betekenden ei zo na het einde van de clans en de 'traditionele' leiders in de institutionele configuratie van de republiek Somaliland. De clan-consensus werd vervangen door politieke competitie. Het was de winnaar van die competitie die de beslissingsmacht verwierf. Clan bleef wel relevant als 'politiek kapitaal' en 'traditionele' leiders of clan oudsten bleven relevant als politieke actoren.

In Somaliland heeft een politieke reconstructie schijnbaar plaatsgevonden via 'traditionele' leiders en instellingen. De 'traditionaliteit' ervan is evenwel relatief. 'Traditionele' instellingen werden aangepast aan de politieke situatie en getransponeerd naar een niveau (dat van de Isaaq clan family, dat van de republiek Somaliland) waar ze voorheen niet bestonden. Het 'traditionele' leiderschap wordt bevolkt door personeel dat niet noodzakelijk 'traditioneel' is: een clanoudste kan ook (en tezelfdertijd) een bij uitstek 'modern' politicus zijn, of militair of ambtenaar. Het feit dat de 'traditionele' instellingen in Somaliland vatbaar waren voor die adaptatie en die transpositie en het feit dat dit tot een constructief eindresultaat heeft geleid is in grote mate te wijten aan de specifieke politieke context in het noordwesten van de voormalige Deocratische Republiek Somalië. Die specifieke politieke context is het product van politieke beslissingen door de betrokken actoren. Het leidt geen twijfel dat Somaliland er anders uitgezien zou hebben zonder Egal. Ze is evenwel ook het product van omgevingsfactoren en historische precedenten, zoals aangetoond in het geval van de Dulbanate clanoudsten en hun onvermogen de politieke situatie in de regio onder controle te krijgen.

De vraag of Somaliland een 'model' kan zijn voor andere gevallen waar de staat afwezig of problematisch is moet dus negatief worden beantwoord. Ten eerste zijn er te veel verschillende parameters. 'Modellen' passen trouwens meestal slecht. Geëxperimenteer met 'modellen' zoals de 'structurele aanpassingsprogramma's' van de Wereldbank in Afrika heeft in de beste gevallen weinig opgeleverd en in de slechtste gevallen veel sociaal leed veroorzaakt. Ten tweede impliceert een 'model' een technische oplossing voor een technisch probleem. Zoals het geval van Somaliland ten overvloede aantoont is de kwestie niet technisch maar politiek en is de uitkomst in belangrijke mate afhankelijk van de creativiteit van de betrokken actoren eerder dan van 'best practice' oplossingen aangedragen door externe interveniënten.


; © Marleen Renders 2006