De schaduwkant van de maan

Islamisme in politiek, economie, maatschappij, en het wereld-systeem

Marleen Renders

Unthinking islamism?
voorwoord door Ruddy Doom

 
Het boek van Robert Kaplan “Reis naar de einden der wereld” voert ons van West-Afrika, over het Midden-Oosten, naar het Verre Oosten. Het geweld, weergegeven als een uiting van crimineel gedrag, is de rode draad doorheen deze tocht. Het anekdotische als verbindingsteken tussen wat zich afspeelt op diverse continenten. Het is ongetwijfeld een zwakte, maar het werk meet zich dan ook geen wetenschappelijke pretenties aan. Aan gefundeerde studies over lokale conflicten is er geen tekort, en dit zelfs vanuit de meest diverse disciplines. Langs de andere kant is er al evenmin schaarste aan gedegen werk omtrent globalisering, nieuwe politieke wereldorde of mondiale culturele fenomenen. Wat ontbreekt zijn meso-studies, ‘theories of the middle range’, pogingen om het particuliere te verbinden met het algemene, en eventueel het algemene te falsifiëren. Voor sommigen hoeft dit niet, aangezien de grote verhalen overbodig of zelfs schadelijke constructies zijn. Leve de deconstructie dus, weg met de ‘grand theory’, voorbij de veralgemening. Indien er niets is buiten datgene wat zich afspeelt in de geest van de waarnemer, dan is de logische conclusie inderdaad dat recurrent gedrag een illusie is.

Wie de gebeurtenissen in Afghanistan, in Kosovo of in de Democratische Republiek Congo definieert als het directe gevolg van één en hetzelfde ‘kwaad’, ging wellicht niet uit van verkeerde vraagstellingen, maar van ‘het’ a priori antwoord. Wie evenwel weigert op een onbevangen manier de vraag te stellen naar mogelijke verbanden is al even doctrinair. De poging die in onderhavig werk wordt ondernomen om te zoeken naar verbindingstekens tussen islamisme en Wallersteins wereld-systeemanalyse getuigt precies van een grote openheid. En dat het antwoord eerder ligt in het herformuleren van de vraag op een hoger niveau, onderstreept dit alleen maar. Het levert stof tot vruchtbare discussie en tot verder onderzoek. Dit is alvast meer dan deze benaderingen die uitgaan van vastgeroeste vijandbeelden, noodzakelijke botsingen of immanente karakteristieken van de moslims.

De bewegingswetten van het systeem

De expansie van West-Europa, of althans deze van bepaalde belangengroepen in West-Europa, ligt aan de basis van het huidige mondiale systeem. Het ontschotten van verschillende werelden is een onomkeerbaar proces en ondanks alle onderdrukking en uitbuiting die ermee gepaard gingen, een kwalitatieve breuk met het verleden en een enorme stap vooruit naar wat eventueel ‘de’ mensheid zou kunnen worden. Uiteraard was en is het veel makkelijker om dit in te zien wanneer men zelf tot het centrum van de macht behoort. Dit is de evidentie zelf voor al diegenen, om het met Galtungs termen uit te drukken, tot het centrum van het centrum behoren. Maar ook Marx, meer negatief geïntegreerd in het centrum dan hij zelf kon bevroeden, zong de onversneden lofzang op de uitdeinende geografische expansie van industrieel kapitalisme. Aangezien het (onvermijdelijke) eindpunt van ‘de’ evolutie de triomf van het socialisme op wereldvlak was, dienden àlle proletariërs hun oude vormen en gedachten af te leggen. Wie kon er bezwaar tegen hebben dat Chinezen, Indiërs... hun oude lompen afwierpen, indien ze in ruil daarvoor een zondags kostuum konden aantrekken? Dat dit universele pak van Westerse snit was kwam bij Marx niet eens op, al had hij daartoe — zijn de heersende ideeën niet steeds die van het centrum? — zelf de argumenten aangereikt.

Het lineaire denken en de wetmatigheden die ermee verbonden waren vertonen op zijn minst twee zwakheden. Terugblikkend in de tijd is het steeds verleidelijk er een causaliteit en logica in te construeren die de betrokkenen zelf niet voor ogen hadden. Een soort gelaïciseerde versie van de ‘Weltgeist’ maar dan geschraagd door een scientistische argumentatie. Het lijkt erop alsof een voorbeschikkende onzichtbare hand Europa vanaf de eerste Iberische vlootexpedities stuwt naar Manchester en de industriële revolutie. Wie ooit C. Verlindens “Ontstaan van de Atlantische beschaving” als leerstof voorgeschoteld kreeg, begrijpt wat ik bedoel: Europa en haar verlengstuk Noord-Amerika waren voorbestemd om vorm te geven aan te wereld.

Een tweede denkfout is dat de ontstaansgeschiedenis van de kapitalistische wereldordening wordt gelijkgeschakeld met de bestaanswijze ervan. Eén der wezenskenmerken van kapitalisme ligt er precies in dat verandering de toon zet waardoor enig eerstgeboorterecht maar weinig duurzaamheid bezit. Noch de geografische zwaartepunten noch de sleutelsectoren van die dynamische expansie blijven constant. Kolonialisme en neo-kolonialisme zijn voorbijgaande groeifasen. De 19e-eeuwse aanhangers van ‘free trade imperialism’ of de visie van Schumpeter die kolonialisme als een atavisme beschouwde, waren wellicht voorbarig. Maar, dit belet niet dat kapitalisme kleurenblind is en dat er geen intrinsiek argument te vinden is waarom het toekomstig centrum niet in Indië of in China zou te vinden zijn. Het Westen vindt zijn blijvende suprematie zo vanzelfsprekend, dat men haast van een autistische houding dient te gewagen. Zelfs een aantal tegenstanders uit wat als de derde wereld werd aangeduid — voornamelijk geïnspireerd door de dependencia-school — waren ervan overtuigd dat er binnen het systeem nooit getornd kon worden aan de positie van het Westen. De-linking was in deze context de enige valabele tegenstrategie. De opkomst van de NIC’s kon oorspronkelijk nog worden afgedaan als een uitzondering die de regel bevestigde. Maar, ondanks de crisis in Zuidoost-Azië en Latijns-Amerika, moet het toch voor iedereen duidelijk zijn dat de multipolariteit zich in de toekomst opdringt. Ook, wanneer dit ten koste moet gaan van het Westen. De circulatie van macht — zowel politiek-militaire als economische — tekent zowel kolonisatie als dekolonisatie. Ze zet ook de bakens voor ideologie en tegen-ideologie.

Het systeem als referentiekader voor verzet

De geschiedenis van de kolonisatie is net als alle andere deels een constructie en niet ontdaan van mythevorming. De eerste visies in het Westen gingen net niet zo ver dat ze de plaatselijke bevolking als één enthousiast ontvangstcomité voor hun bevrijders omschreven.  Het werd dan maar het verhaal van de ‘white men’s burden’, de moeilijke taak om een onwillige populatie te beschaven. Alhoewel, het bleef bon ton om het verzet voornamelijk toe te schrijven aan de lokale elites — meestal plaatselijke ‘potentaten’ — terwijl de overgrote meerderheid in wezen tot samenwerking bereid was. De meerderheid van de socialistisch geïnspireerde Europeanen was van oordeel dat een humanistisch kolonialisme de laatste aarzelingen zou opruimen. Latere generaties historici uit de ex-koloniale wereld vervallen dan weer in het andere euvel. Het heeft er vaak de schijn van alsof de ganse bevolking pal stond om te vechten voor het behoud van de laatste morzel grond. Als een soort spiegelbeeld worden lokale heersers opgevoerd die het volk verraden hebben omwille van persoonlijke en onmiddellijke voordelen.

Tijdens de koloniale periode wordt deze lijn doorgetrokken. Volgens de beroemde formule van Multatuli was “de rust rustig” : aangezien politiek verzet ongewenst was, bestond het niet. Verzet dat dusdanige allures aannam dat het niet doodgezwegen kon worden, werd meestal afgedaan als crimineel (soms was er een ‘nobele’ traditionele heerser die zijn volk beschermde; dit kwam haast uitsluitend voor in de kolonies van een concurrerende Europese macht). Geheel in de lijn van de verwachtingen zullen later de schrijvers van de vaderlandse geschiedenis dit verzet overbenadrukken en het interpreteren als een voorbode van de nationale onafhankelijkheidsstrijd. Hetgeen manifest onjuist is : het betrof in de meeste gevallen lokale fenomenen met een sterk parochialistische inslag. Indien het als anti-systeem kan worden bestempeld, dan was het eerder een onmiddellijke verdedigingsreflex tegen de wareneconomie die door de blanken werd opgedrongen. Van enig referentiekader naar de globale wereldordening, of zelfs naar de koloniale entiteit in haar bestuurlijke eenheid (de proto-staat) was geen sprake. Dit soort revoltes kan eerder als pre-systeem verzet worden omschreven.

Over de eigenlijke onafhankelijkheidsstrijd dienen we hier beknopt te zijn. In feite wordt de oude problematiek die Paine schetste naar aanleiding van de strijd der kolonisten tegen Engeland opnieuw ter tafel gelegd: gaat het om een wissel van elites, of wordt gestreefd naar een ander soort samenleving? (Ook indien Paine het radicale standpunt verdedigde, dan kon hij zich niet buiten het blanke referentiekader plaatsen). Historisch vallen de dekoloniseringsgolven in de 20e eeuw samen met de periode van koude oorlog. Het overgrote deel van de nieuwe staten opteert voor een integratie binnen het wereld-systeem. Uiteraard — en in wisselende gradaties — willen de nieuwe elites een meer evenwichtige Noord-Zuidverhouding. Hoezeer belangengroepen uit het Noorden ook pogen hun posities te consolideren, toch kan uiteindelijk niet worden gesproken van een antisysteembeweging, wel van herschikking.

Landen en systemen die zich beroepen op het socialisme moeten in de praktijk een beroep doen op het blok van ‘het reëel bestaande socialisme’. Dit betekent twee zaken : één op het theoretische vlak en één in de praktijk. Marx zelf had zijn socialisme een ambivalent statuut meegegeven. Als praxis kon het niets anders zijn dan een uitdrukking van klassenbelangen, maar als wetenschap was het neutraal en universeel. Al spoedig doken noties op als ‘Afrikaans socialisme’ en ‘Arabisch socialisme’, die niet alleen de universalistische aanspraken van Marx ondergroeven, maar tevens de notie klassenstrijd ontdeden van haar oorspronkelijke inhoud. Het feit dat men zich de facto richtte op ondersteuning van het Oostblok — ook deze landen die deel uitmaakten van de ‘Beweging der Niet-Gebonden Landen’ — had mee tot gevolg dat men de interstatelijke relaties én de interne rol van de staat centraal stelde. De zg. socialistische weg resulteerde in een alternatieve economische ontwikkelingsstrategie waarbij de staatsbureaucratie als historisch substituut voor een nationale burgerij fungeerde. Het eindresultaat was hoe dan ook een sluipende integratie binnen het kapitalistisch wereld-systeem.

Kort samengevat : dekolonisering resulteerde in een herschikking van het wereld-systeem. Hoewel particuliere belangengroepen binnen de ex-koloniale metropolen klappen te verduren kregen of belangengroepen in het Zuiden aan macht wonnen, betekende dit uiteindelijk enkel het einde van een ontwikkelingsfase van het kapitalisme. Meer zelfs, het eroderen van de beschermende koloniale muren, liet het systeem toe zich beter te integreren volgens zijn intrinsieke logica van rentabiliteit van het internationaal kapitaal. Door het wegvallen van de economieën die geleid werden door een centrale planning werd de globalisering nog meer geaccentueerd. Vanuit een historisch perspectief bekeken werd in een bijzonder korte periode — niet eens veertig jaar! — een sluitsteen geplaatst op een eeuwenlange beweging die een gevolg was van transformaties in enkele kernlanden van West-Europa. Het einde der geschiedenis, de eenheid van de wereld, de mens verzoend met zichzelf, meende Fukuyama. Neen zegt Wallerstein, juist integendeel. Neen zegt ook Renders, die zich uitdrukkelijk achter Wallersteins paradigma schaart.

Antisysteembewegingen zijn volgens Wallerstein deze bewegingen die georganiseerd worden om het wereld-systeem te veranderen in een meer democratische en egalitaire zin. Het typische is dat ze niet uitgaan van staten of naties als organisatorische ruimte maar van een mondiale context, en dat ze zich bedienen van een (proto-?)ideologie die zich situeert buiten de geo-cultuur van het kapitalisme. Nog steeds volgens Wallerstein vormde ‘68 hier een keerpunt, al zou ik het persoonlijk liever hebben over utopische antisysteembewegingen.

Antisysteembewegingen als mondiaal fenomeen?

Vanuit een bepaald perspectief wierp het Maoïsme, zeker in de fase van de culturele revolutie, zich op tot antisysteembeweging. Na de breuk met de Sovjetunie — deel uitmakend van het systeem — en het verder sinologiseren van de marxistische imputs, ontstond een beweging die zich én uitdrukkelijk buiten én tegen het wereld-systeem keerde en die zich tot doel stelde de ganse wereld te transformeren. Met het concept van de ‘drie werelden’ en de ‘strategie van het mondiale platteland dat de steden omsingelt’ ging Lin Bao regelrecht in tegen de vigerende opvattingen dat een omwenteling op gang moet worden getrokken door het centrum, of haar wortels had in het ‘blanke’ noorden. Het is geen toeval te noemen dat in het Westen een aantal intellectuelen en radicale jongeren ontvankelijk waren voor deze boodschap. Immers, op het nationale vlak ontbraken zowel de ideologie, de organisatie en in feite ook de maatschappelijke dragers voor de radicale transformatie. Meestal mangelde het aan concrete informatie over de machtsstrijd in de Volksrepubliek zelf, wat eerder een zegen dan wel een handicap was om het geloof in zijn pure zin te omarmen. Wellicht voor het eerst in de geschiedenis van het Westen werd —het oosten is rood — door sommige activisten aangenomen dat het Zuiden niet achterop hinkte, maar de toekomst vertegenwoordigde (Guevara vervulde weliswaar ook een symboolfunctie maar was een Europees-aandoende Argentijn). Het radicale tiersmondisme, waarbij de periferie — ontketen één, twee, drie Vietnams — als hefboom zou worden gebruikt om het kapitalisme in het centrum aan te pakken, was geen lang leven beschoren. De redenen zijn evident : deze regimes die zich beriepen op een socialistische erfenis hebben zich ingeschakeld binnen het wereld-systeem. Dit geldt, ondanks alle parafernalia voor China en Vietnam, maar ook voor Cuba (ondanks de verzorgingsaspecten van het regime). Ondanks, of dank zij, de geromantiseerde vertekening die deze bewegingen de buitenwereld voorhielden, konden ze omwille van de herkenbaarheid op een zekere steun rekenen van oppositionele groepen in het Westen. Wat op het einde van de 20e eeuw eventueel als antisysteembeweging kan worden aangeduid heeft dit veel moeilijker, omdat zijn referentiekader zich totaal buiten het ‘universalistisch’ vertoog plaatst.

Het probleem is in feite dubbel. Vooreerst is er Wallerstein zelf die het begrip ‘antisysteembeweging’ en de rol die deze kan spelen behoorlijk vaag heeft gelaten. Om te beginnen zit hij met hetzelfde probleem als Marx en zijn latere interpretatoren : welke rol speelt het bewuste verzet van de actoren, waar plaats je de praxis? Een bepaalde lezing van Marx neigt naar voluntarisme, maar een andere tendeert naar attentisme. Je kan na Wallersteins analyse te hebben doorgenomen tot de conclusie komen dat mensen en groepen zodanig door de ‘longue durée’ en door de dwingende eisen van het wereld-systeem worden verpletterd, dat hun rol als actoren bijzonder secundair is. Maar, terzelfdertijd wil Wallersteins wereld-systeemdenken niet alleen een alternatief onderzoeksinstrument aanbieden om deze wereld te verstaan, het wil deze wereld ook veranderen. Daarenboven moet die verandering gaan in de zin van meer emancipatie, op zich ook al geen enkelvoudig begrip. Wallersteins actiewetenschap, met zijn wetenschappelijke én ideologische componenten, is voor wat academische discussies aangaat, wellicht één van de meest vruchtbare paradigmatische benaderingswijzen. Voor wat het ontleden, laat staan het sturen, van concrete revoltes en verzet aangaat, wordt het al heel wat problematischer.

Wallerstein zelf heeft zich steeds verzet tegen universalistische denkcategorieën, volgens hem zijn deze in eerste instantie de neerslag van de liberale geocultuur. Maar, daardoor heb je natuurlijk ook geen maatstaf meer om protestbewegingen te toetsen. De voorbeelden zijn uiteraard legio, waarbij in naam van zogenaamde algemeen geldende criteria, de machthebbers protestbewegingen elk politiek statuut wilden ontzeggen. Gedurende jaren was el Fatah een terroristische beweging, en pas nadat de VS Arafat hadden geaccrediteerd werd ze een respectabele organisatie, met dien verstande dat nu Hamas het epiteton ‘terroristisch’ opgekleefd krijgt. Hetzelfde geldt voor rebellieën in zwart Afrika : het RUF (Sierra Leone), het ‘Lord Salvation Army’ (Uganda), Charles Taylors beweging (Liberia) : voor sommige analisten zijn of kunnen ze niets anders zijn dan criminele bendes of een uitdrukking van hertribalisering. Ik heb zo mijn twijfels, en in ieder geval zijn het meerlagige bewegingen waarin de politieke dimensie wel degelijk aanwezig is. Hetgeen natuurlijk een totaal andere bewering is dan te stellen dat men zich hierachter kan scharen, of dat men daar een zweem van bevrijding in moet ontdekken. Is er dan geen andere oplossing dan die bewegingen te ontleden in de termen die ze zelf als relevant voorhouden? Dit cultuurrelativisme, als absolute graadmeter, is in ieder geval niet in te passen in Wallersteins denken. Indien de boodschap van universalisme racistische vooronderstellingen verbergt, dan veroordeelt absoluut relativisme iedereen tot de absoluut andere, wat binnen een hiërarchisch systeem als het wereld-systeem onvermijdelijk impliceert dat er een rangordening van laag tot hoog uit voortvloeit. Immers, indien volgens een doorgedreven universalisme, iedereen slechts kan begrepen worden in termen van de eigen cultuur, dan verdampt — ‘s lands zeden, ‘s lands wijsheid — ieder progressief gemeenschappelijk platform. De grens tussen het respecteren van een cultuur, in de zin dat deze onbevraagbaar is, en bantoestanisering is immers in de politieke praktijk flinterdun.

Het vraagstuk wordt er niet eenvoudiger op, wanneer men wil nagaan of ‘islamisme’ al dan niet als een antisysteembeweging kan doorgaan. De wijze waarop ‘islamisme’ wordt ingevuld door de gangbare, en dus Westerse, politicologische scholen laat meestal weinig illusies. Hoewel niet iedereen Huntingtons visie deelt dat ‘de’ islam een bedreiging vormt, is de teneur er meestal toch één die geen verband ziet, kan zien, tussen islamisme en emancipatie. Naast de Babelse taalverwarring — integrisme, fundamentalisme, revivalisme... is er de steeds weerkerende aantijging om islamisme te cantoneren in de religieuze sfeer, in de premoderne denkwereld en gelijk te schakelen met blind terrorisme. Edward Saïds oriëntalisme-verwijt is nooit ver weg, en door islamisme a priori buiten het politieke en de moderniteit te sluiten wordt de discussie omtrent emancipatorische potentie overbodig gemaakt. Dit wordt des te makkelijker door extreme standpunten of actiemiddelen als kenmerkend voor ‘het’ islamisme te omschrijven, of doodgewoon als een primordialistische eigenschap van iedere moslim te beschouwen. (Zelfs de term ‘extremist’ is een geladen begrip want hij kan niet anders gehanteerd worden dan tegenover de norm die men zelf als modaal of aanbevelenswaardig vooropschuift).

Zien bepaalde moslimbewegingen zichzelf als antisysteemkrachten? In ieder geval is hun refentiekader niet ontleend aan westerse ideologieën, of ze nu van liberale dan van socialistische origine zijn. (Dit verklaart een deel van de ontreddering ter linker zijde, die het anti-imperialistisch discours wel ondersteunt, maar niet begrijpt waarom dit niet vertaald is in het klassieke jargon). Dit betekent niet, zoals de persiflage vaak voorhoudt, dat (alle) islamisten willen terugkeren naar de premoderniteit. Integendeel, voor bepaalde strekkingen is strijd tegen de traditonalisten vaak een centraal en steeds terugkerend thema. Doordat een groot deel de natiestaat hoogstens als een voorbijgaande ontwikkelingsfase ziet, overstijgt islamisme het lokale, maar stelt zich meteen ook de vraag of de nieuwe wereldomspannende ordening voor hen niet per definitie samenvalt met de umma, de gemeenschap der gelovigen? De culturele dekolonisering wordt gezien als een hefboom voor economische ontwikkeling en voor sociale ontvoogding. Er waren — zeker tijdens Khomeiny’s dagen b.v. — aanzetten vanwege Iran om tegen de logica van de economische machten en tegen die van het economisme in te gaan. Maar, er zijn evenveel tekenen dat zijn opvolgers streven naar normalisering, d.w.z. naar een oppositionele houding binnen het systeem. Het heeft er m.a.w. alle schijn van dat ‘het’ islamisme vooral bestaat in de ogen van het Westen, dat hiermee niet alleen een eeuwenoud vijandbeeld uit de kast haalt, maar er een negatieve eenheid aan verleent, die het in de praktijk niet, of nog niet, bezit.

Besluit

Mijns inziens blijft het een vruchtbare werkhypothese om de lokale verzetsbewegingen in de periferie te analyseren vanuit het wereld-systeem. Zowel omwille van de praktijk als om redenen van theoretische aard — unthinking social sciences — zijn hiervoor valabele argumenten aan te voeren. Wat voorlopig ontbreekt is systematisch onderzoek dat de lokale dynamiek koppelt aan de bredere verbanden. Hierbij kan Wallersteins notie van antisysteembeweging als voorlopig uitgangspunt fungeren, indien toetsing met de realiteit dit toelaat verder verfijnd worden, of, uiteindelijk verwezen worden naar het rijk der geestesconstructies. Of, zoals hij het zelf zou uitdrukken “It is not a matter of individual insight, but of social praxis socially arrived at.” Wat ook de eindconclusie van de auteur was.

Terug naar 'De schaduwkant van de maan'